Meyrueis, Lozère, 26 juni 1977. Warm, bewolkt weer. Ik pak mijn spullen uit mijn auto en zet mijn fiets in elkaar. Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.
Toen ik enkele jaren geleden van een collega Polstok-redactielid en tevens goede vriend De Renner van Tim Krabbé cadeau kreeg, besefte ik nog niet helemaal welke betekenis de beginpassage van deze klassieker voor mijn latere leven zou gaan hebben. Hoewel ik in die periode zélf een ongekende fietsroes beleefde (een jaar van 8000km) en met een ongebreideld enthousiasme de eerste hoofdstukken van het boek verslond, wist ik het eind ervan nooit te halen. Dit tot grote en wellicht terechte ergernis van de schenker. “Dit boek niet uitlezen, is wielerheiligschennis. Dat doé je gewoonweg niet”. Wist ik veel dat de arme stakker achteraf nog gelijk zou krijgen.
Ik had toen echter andere katjes te geselen. Trainen trainen en nog eens trainen. En dan te bedenken, dat ik enkele jaren voorheen nog zo gezworen had nooit op een racefiets te zullen kruipen. En al helemaal geen verwijfd fluopakje aan te zullen doen. De omstandigheden hadden me er echter toe genoopt. Een ongelukkige knieblessure en begripsloze trainer wisten reeds een vroegtijdig einde aan mijn volleybalcarriëre te stellen, een aanslepende rugblessure deed voor mijn tenniscarriëre de rest. Twintig kilo later kon ik echter niet anders dan terug naar sport te grijpen. Omdat zwemmen sowieso al geen optie was -wat heb ik een hekel aan dat brakke chloorgevoel- plaatste ik dan maar mijn eerste pedaalslagen op een oudstalen ros. Ik werd herboren, en in no time werden die twintig kilo extra er 30 minder. Want fietsen is nu éénmaal vetverbranden.
Toen het afslankdoel uiteindelijk bereikt was, volgden er al gauw nieuwe doelen. Nu is het wel zo dat ik altijd enigszins competitief ingesteld was geweest, de voornaamste reden voor het stellen van die nieuwe uitdagingen was toch wel de prikkel vinden om steeds weer opnieuw die fiets op te kruipen. Weer, wind, hagel, sneeuw of regen. Niets kon mij deren. Het bracht me zo ver om in 2004 de Ventoux meermaals te bedwingen (vanuit Bédoin, de stoeremannenkant) en in 2005 een reeks Alpencols onder de wielen te gooien. Die laatste trip zal voor eeuwig en altijd in mijn geheugen gegrift bijven. Zelden heb ik zo genoten van de combinatie natuur/afzien. Met de beesten. De conditie piekte fenomenaal en door toedoen van de supercompensatie reed ik ook nog eens iedereen naar huis tijdens de beruchte “Sean Kelly Classic“.
In 2006 bestierde ik nog gezwind de meest befaamde Vogezencols, maar na deze toppen bereikt te hebben ging het toch een beetje bergaf. In 2007 behaalde ik nog een aanvaardbaar niveau, maar vanwege de kapitale fout om mijn doel (le Roc d’Azur) veel te laat op het jaar te leggen, was de motivatie op een gegeven moment compleet zoek. Een druk professioneel/scoiaal leven laat nu éénmaal niet toe om van mei tot oktober te pieken. Dat kunnen zelfs de hedendaagse profs niet.
2008 echter, is mijn zwakste fietsjaar tot dusver. Aanvankelijk legde ik nog zeer moedig éénmaal per week het traject Brussel-Antwerpen/Antwerpen-Brussel af, maar al snel liet ik deze tocht schieten. Toen ik vanochtend voor de spiegel stond, en merkte dat er zich stilaan een nieuwe vetklep rond mijn middelste aan het vormen is, moest ik plots weer aan de beginpassage van De Renner denken. Het deed me besluiten om vanaf augustus terug onvoorwaardelijk voor de fiets te kiezen. Het leven van deze niet-wielrenner schokt me immers.