Het moet ondertussen toch wel zo’n dikke 15 jaar geleden zijn. Ik herinner me nog goed dat de corpulente Meatloaf in de mooie lentedagen van die uitzonderlijke millésime een stevige hit te pakken had. Maar wat ik me nog beter voor de geest kan halen, is dat mijn ouders me voor die periode geëngageerd hadden te gaan skiën met een jongerenorganisatie. Via Top-vakanties -ik zal de naam nooit vergeten- zou ik nog voor geen prikje mijn zo geliefde skitruukjes voor de tweede keer op één skiseizoen uit de kast mogen halen.
Zo geschiedde. Niet dat het “skiverlof voor een prikje” een argument was om mij toch maar te doen toezeggen eens in jongerengroep op vakantie te gaan, het was eerder iets onoverkomelijks, een onvermijdelijk gevolg van mijn persoonlijke geschiedenis. Als 11-jarig jongetje genoot ik immers al een soort van moreel besef; wanneer zowat alle kinderen en jongeren jaarlijks “op kamp” gaan, dan moet ik toch ook eens zoiets gemeenschapsvormend proberen? Mijn ééndelige groenfluo skipak, mijn spiegelglazende zonnebril en mijn met trance-motief bestickerde muts werden nog ingepakt door mijn lieve moeder, maar zodra ik gedropt werd aan -godbetert- het station van Schaarbeek, stond ik er volledig alleen voor, samen met enkele honderden andere jongeren.
Over wat er gebeurde tussen de 24u na het droppen aan het station van Schaarbeek en het aankomen aan ons Jügendhotel in de Italiaanse Alpen hoef ik alleen maar kort te zijn. Ik werd in een “couchette” tezamen met 4 Mechelaars en een Kortessemnaar (“Kotshovennaar”, naar hij vertelde) gepropt en de trein begon te bollen. De reis was een beproeving, slechts nu, vele jaren later, weet ik dat niet alle Mechelaars basketters zijn en dat niet alle Kotshovenaars karate doen, maar toen leek dat wel zo. Toen was dat, mede omdat mijn wereldbeeld nog niet tot volle wasdom was gekomen, allemaal nogal overdonderend . Ahja, ik weet ondertussen ook dat niet alle inwoners van West-Vlaanderen Arno heten. Tant pis.
Vooral wat zich afspeelde tussen het 24ste en het 48ste uur zal tot het eind der dagen in mijn hersenpan blijven kleven. Omdat we met zulk een grote groep waren, konden niet alle jongeren tegelijk het nodige materiaal verkrijgen om op de piste te mogen. Skilatten, botten en een skipas laten wel eens op zich wachten, je weet wel. Om de tijd te doden kozen de begeleiders er dan maar voor wat groepsspelletjes te spelen.
Vervolgens ging het snel. Razendsnel. Er ontstond een plots tumult en ik moest samen met de andere skiërs een grote cirkel maken: we zouden gaan “vlagpikken”. “Vlagpikken,” dacht ik bij mezelf, “wat is dat nu weer?”. Maar veel tijd om er over na te denken kreeg ik niet, voor ik goed en wel besefte wat er zich exact voor mijn ogen afspeelde begon men naar mij een nummer te roepen. “14!”, nu, “14!”. Ik was verstokt en bleef zitten, wist ik veel dat nummer 14 aan mij toegewezen was en dat ik geacht werd naar een onnozel stuk stof toe te rennen. Ik was tenslotte gekomen om te skiën. Om niks meer en niks minder, goedkoop skiën in het bijzijn van mijn leeftijdsgenoten.
Vervolgens hield ik me maar van de domme en gaf ik waarschijnlijk een onnozele opmerking, zoals ik nu, vele jaren later ook nog wel eens durf doen als ik het allemaal niet meer weet. Ik kan me inbeelden dat die opmerking wel wat cassanter was dan van mijn leeftijd mocht verwacht worden, maar of ik daarom meteen op pedagodisch onverantwoorde wijze moest apart genomen worden door de meest kloeke leider van al, daar heb ik toch nog steeds mijn twijfels over. Ik kan hem mij thans nog levendig voor de geest halen, die leider. Zijn gestalte herinnerde mij aan die van Sylvester Stallone, maar dan uit de periode dat hij nog in pornofilms opdraafde. Korte benen ten opzichte van het lijf, gespierde torso, volle ronde lippen, een beetje blos op de wangen en een soort van zwart krollenhaar. “Geeeeeeffffff acht, John Rambo!,” hoorde ik kolonel Trautman in mijn verbeelding schreeuwen, maar in de realiteit vroeg Sly alleen maar – zij het nogal onaardig, opdringerig en schuimbekkend- aan me waarom ik “weigerde aan het spel deel te nemen?”.
Ik besloot mezelf stokstijf te houden en te zwijgen. Niet om te protesteren, niet om de revolutionair uit te hangen, maar gewoon uit angst. Uit pure, diep van onderuit opborrelende angst. In de verte zag ik een lieve, blonde krollenbol -ook blozende wangetjes, maar dan op de vriendelijke manier- het schouwspel gadeslaan. Het oogcontact dat ik met hem zocht liet niet aan de verbeelding over. Terwijl Sly kwaad, spuwend, tierend nog een aantal keren dwingend dezelfde vraag herhaalde, vroeg ik, neen smeekte ik om verlossing. Uiteindelijk kwam de blonde leider naar ons toegerend en intervenieerde hij. Wat een geluk, hij nam me zacht bij de hand en nam me mee naar het dichtsbijzijnde bankje in de lentezon. We babbelden wat over koetjes en kalfjes terwijl Sly zich in de verte op het grasgroene grasveld alweer volledig op de vlagpikkampioenen stortte.
Nu, wat er ook van deze parabel waar moge zijn, in the end werd het nog wel een deugddoende skivakantie. Ik zoefde door de bochten, zweefde in de lucht, plukte er vlokjes en stoof door het poeder dat het een lieve lust was. Aan vlagpikken heb ik me achteraf echter nooit meer gewaagd, en misschien maar goed ook.